Zwartschool  Leerlingen van Jan Zwart - hun leven en werk
Wilhelm Abraham is geboren in Hilversum op 5 augustus 1907 als zoon van Johann Hinrich Abraham en Wilhelmina Guldemond. Hij groeit op in Utrecht en woont met zijn ouders en oudere broer aan de Hugo de Grootstraat. Al op jonge leeftijd is hij organist van de Geertekerk in Utrecht waar hij het in 1803 door Johannes Stephanus Strumphler gebouwde orgel bespeelt. In 1930-1931 verzorgt hij met regelmaat concerten die via de NCRV-radio worden uitgezonden. Op 16 februari 1933 trouwt Wilhelm met de 27-jarige Aletta Elisabeth Lietze. Na hun huwelijk in Utrecht vestigen zij zich in maart in Scheveningen alwaar Wilhelm wordt aangesteld als organist van de Julianakerk. Hij heeft de be- schikking over een orgel dat in 1928 door de firma van Gelder uit Leiden is geplaatst en zojuist is uitgebreid door de firma Koff uit Utrecht. Het orgel had 14 registers welke zijn uitgebreid tot 26. Op 28 maart speelt Wilhelm Abraham een ‘Wijdingsure’ ter gelegenheid van de ingebruikname van het orgel. Na zijn verhuizing naar Scheveningen organiseert hij talloze concerten en verzorgt hij ieder jaar een zomerserie orgelconcerten. In 1937, op 27 juli, bevalt Aletta van een levenloos kind. In 1939 krijgt Wilhelm een benoeming als organist van de aula van de alge- mene begraafplaats. In hetzelfde jaar wordt uit het huwelijk van Wilhelm en Aletta een dochter geboren. Wilhelm blijft zeer actief als organist en musicus tot september 1941. In de jaren daarna raakt Wilhelm wat op de achtergrond. Op 15 juni 1944 wordt het huwelijk van hem en Aletta ontbon- den. Een regionale krant maakt in 1947 melding van het feit dat hij een rouw- dienst speelt en in 1948 als organist meewerkt aan een jubileumconcert van een regionaal mannenkoor. Pas in 1951 lijkt hij de draad weer op te pakken door af en toe een concert te spelen. Uit historische gegevens van de Julianakerk blijkt dat in 1953 ene Aat Peet (ook) als organist wordt aangesteld. In april en mei 1955 geeft Wilhelm Abraham nog een aantal concerten, ook Feike Asma neemt een concert voor zijn rekening. Tijdens een kerkdienst in 1955 wordt Wilhelm getroffen door een beroerte. Hij wordt opgenomen in het zieken- huis en overlijdt enkele dagen nadien. Tijdens zijn leven heeft Wilhelm vele concerten verzorgd. Recensies maken duidelijk dat hij een uitstekend orga- nist en improvisator was. Ook staan er diverse composities op zijn naam, echter het is niet duidelijk of er orgel- werken van hem zijn uitgegeven. Bekend zijn de volgende orgelwerken: Orgel Suite - Introduction Pontificale - …… (diverse delen) - Finale Petite Suite - Vier delen Concerto Antiqua
Wilhelm Abraham (1907-1955)
Wilhelm Abraham over Jan Zwart: Op zestigjarigen leeftijd is hij onverwacht overleden, de bekende organist en orgel- historicus Jan Zwart. Na Zondag nog dienst te hebben gedaan trof hem een buik- vliesontsteking. Operatief ingrijpen mocht niet meer baten en zoo staan we dan nu diep verslagen bij dit zoo plotseling verscheiden van dezen eminenten organist Ja, organist was hij tot in de toppen van zijn vingers. Een die zijn organistschap opvatte in zijn volle breedte. Orgelspel, orgelbouw, orgelhistorie, koraalkunst, hij wist niet van elk dezer on- derwerpen iets, neen, hij beheerschte het in zijn breedte, diepte en hoogte, hij was er van doordrenkt. Indien hij orgel speelde, deed hij het met zijn geheele ziel, een enthou- siasme, een welhaast sloopende physieke in- spanning. Degenen die het voorrecht gehad hebben, een concert bij de speeltafel bij te wonen, kunnen daarvan getuigen. Daarbij was hij een echt Christen. Zijn religieuze overtuiging gaf een stempel op al zijn werk, zijn concerten en zijn leerlingen. Zijn verge- vorderde leerlingen spoorde hij aan con- certen te geven en indien wel eens van leerlingenzijde werd gemopperd werd over de weinige financieele uitkomsten, was zijn antwoord naar het bekende Bijbelwoord: ‘Werpt uw brood uit op het water, en gij zult het vinden na vele dagen.’ Zijn omgang met de leerlingen was ideaal. Wij allen waren zijn vrienden, ja, welhaast zijn kinderen. De lessen, die hij gaf, waren niet alleen belangrijk voor het orgelspel, doch tevens voor het huidige en toekomen- de leven. Hij was geen leeraar, die angstvallig op de klok keek, of het uur nog niet om was, neen, ik wil wel verklaren, dat ik nooit één uur heb les gehad, doch steeds twee en wel drie uur. Zegt dit niet voldoende? Zijn grootste sieraad was (hoe kan het ook anders bij een echt Christen) zijn eenvoud. Zoowel thuis, waar een heerlijke, gemoe- delijke Zaansche geest heerschte, als wan- neer hij vertelde van zijn concerten. Nooit hebben wij hem hooren pochen, steeds legde hij alle eer aan de voeten van den Gever, den Schenker van alle goeds. Soli Deo Gloria! Hij voelde zich als een instrument in Gods hand, een medium in den ver- hevensten zin. Hij vatte die taakopdracht serieus op. Hij hield als 't ware het orgel hoog boven de hoofden der menschen uit, en toonde hun dat in al zijn schoonheid en luister. Waar hij kon of gevraagd werd concerteerde hij, en niet met solisten, neen, het orgel alleen. Zoo gaf hij per jaar p.l.m. 100 concerten. Over het geheele land zijn zijn leerlingen verspreid. Ze bekleeden eerzame posten en wat het eigenaardigste is, dat men onmid- dellijk bij het eerste accoord al, den Jan Zwart-leerling er uit herkent. Zijn spel en dat van zijn leerlingen hebben vuur en élan. Zoo heeft hij bij degenen, die met hem in contact kwamen, een vuur ontstoken, dat nooit meer te dooven is. Aan ons is nu de taak, de fakkel, die hij ons als 't ware in de handen gaf, brandend te houden en hoog boven onze hoofden te dragen door de woelende wer-eld, totdat wij op onze beurt haar moeten overgeven aan anderen. Wanneer wij tracht-en deze taak te volbrengen, eeren wij het beste de nage- dachtenis van den orgel-priester Jan Zwart. ‘Het Vaderland’ 15 juli 1937
Publicatiedatum 7 januari 2022